U bent niet ingelogd:
  • voor 1575
  • 1575 - 1632
  • 1632 - 1790
  • 1790 - 1847
  • 1847 - 1925
  • na 1925

 

 

Het huidige Nederland was in die tijd maar een uithoek in Europa, er waren geen universiteiten. De medische zorg was in handen van  kruidenvrouwen, beenzetters en vooral geestelijken. De steden kwamen tot stand en deze voelde de behoefte aan kwaliteit, dat betekende ook de behoefte aan goed opgeleidde vaklieden: de gilden ontstonden en de chirurgijn was geboren. Als leerling moest je op zoek naar een meesterchirurgijn die bereid was om je als leerling aan te nemen. Een praktische opleiding volgde. Na een paar jaar, na het afleggen van een examen, werd men bevorderd tot gezel. Tenslotte legde men de meesterproef af volgens een strikt gereguleerde procedure ten overstaan van de bazen van het chirurgijngilde. Het chirurgijngilde  kende een scala van medisch geschoolden: chirurgijns, verlosmeesters, vroedvrouwen en beenzetters en kende verdelingen in de scheeps-, plattelands- en stads-leden. Het waren vooral praktische geschoolde vaklieden.

 

 

 

 

 

 

 

In 1575 kreeg Leiden de eerste universiteit van Nederland. Deze was een groot succes mede door dat de studenten geen bepaalde godsdienst hoefde te belijden. Daarna kregen nog een aantal steden een universiteit, waarvan Franeker de eerstvolgende was. Deze universiteiten konden zich niet meten met Leiden. Dikwijls was er maar één hoogleraar: als deze goed was werd hij snel naar elders beroepen. Door de universiteiten ontstond wel een nieuwe beroepsgroep, de theoretisch geschoolde medicinae doctores. De groep had het recht medicijnen voor te schrijven bij inwendige ziekten. Dit recht werd het chirurgijngilde ontnomen. Het chirurgijngilde diende zich te beperken tot technische behandelingen daar waar de medicinae doctores waren: in de grote stad. Op het platteland en in de scheepvaart veranderde niet veel. 

 

 

Amsterdam was niet de enige stad die in die tijd geen universiteit kreeg. Als tegenhanger werden de athenea iIlustre gesticht. Deze “doorluchtige scholen” boden een soort propedeutische opleiding, maar zonder examen of graad recht. Het Atheneum Illustre in Amsterdam haalde twee internationaal bekende wetenschappers binnen, Caspar Barlaeus en Gerardus Vossius. Zij hielden hier in 1632 hun inaugurele redes. In dat zelfde jaar schilderde Rembrandt zijn “anatomische les”. Hiermee had Amsterdam weliswaar geen universiteit, maar wel het niveau hiervan. In 1771 werd Andreas Bonn benoemd tot hoogleraar anatomie en heelkunde. Hij wilde de heelkunde vooruit helpen en verzamelde om zich heen veelbelovende chirurgijns met wie hij op geregelde tijden nieuwe heelkundige inzichten en belangwekkende chirurgische gevallen besprak ten einde het  theoretische peil van de gildenopleiding te verhogen. Dit resulteerde tot de oprichting van het Genootschap ter bevordering van de Heelkunde.

 

 

In 1790 werd Andreas Bonn voorzitter van het net opgerichte Genootschap ter bevordering van de Heelkunde. De chirurgijn Davis Gensccher werd secretaris. In dit genootschap werden de wetenschappelijke discussies tussen de aan het Atheneum Illustre theoretisch geschoolden en de praktisch geschoolde chirurgijns geformaliseerd. Aan de voorspoed van het gilde kwam een einde toen in 1798 per decreet alle gilden in de Bataafse republiek weren opgeheven. Een chaotische tijd brak aan. De nieuwe Nederlandse overheid tracht verbetering in het medisch onderricht te brengen door de oprichting van clinische scholen mogelijk te maken ter vervanging van het gilde onderwijs. Hiermee keerde een tweedeling terug, de universiteiten bestonden immers nog. Er waren weer theoretisch geschoolde geneesheren met het recht medicijnen voor te schrijven en de heelkundigen afkomstig van de clinische school. In Amsterdam werd op 4 september 1828 de clinische school geopend in het Binnen Gasthuis met C.B. Tilanus als eerste hoogleraar. Hij was aanvankelijk niet verbonden aan het Atheneum Illustre. In 1830 werd Tilanus opgenomen in het bestuur van het Genootschap ter bevordering van de Heelkunde. Tilanus wilde het verschil opheffen tussen de genees- en heelkunde. Het een kan niet zonder het andere. Bij het 50 jarige bestaan werd onder zijn voorzitterschap het genootschap opengesteld voor geneeskundigen. Belangenconflicten laaiden af en toe weer op tussen de genees- en heelkundigen. Met name de invloed van het recht van de geneeskundigen hun theoretische kennis in de praktijk toe te passen en het recht van de heelkundigen medicamenten voor te schrijven.

 

 

Het belangenconflict tussen de geneeskundigen en de chirurgijns duurde voort. Tot een groep jonge geneesheren de oplossing ging zoeken niet in betere afspraken tussen beide standen maar door uniformering van de medische stand. Iets wat in de omringende landen reeds gebeurd was. In 1847 werden de eerste stappen gezet tot oprichting van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunde. De organisatoren gingen uit van een bundeling van lokale genootschappen. In Amsterdam was eerst niet veel belangstelling voor dit advies. Ondanks de oprichting van de Maatschappij in 1849 in Amsterdam woekerden onder het oppervlak de conflicten door. Toen in 1857 minister van Rappard de 2e kamer adviseerde de 2e stand, dus de chirurgijns, in de steden op te heffen waren de rapen gaar. Het overwegend positieve advies ten aanzien van opheffing vormde venijnige debatten binnen de Maatschappij. Dit resulteerde in een scheuring en de oprichting van het Genootschap ter bevordering van de Heel- en Verloskunde in 1857, de voorloper van het huidige Amsterdams Geneeskundig Genootschap. Pas bij de wetten van Thorbecke in 1865 werd de eenheid hersteld. Het verschil tussen de geneeskundigen en de heelkundigen ging samen in de nieuwe titel  arts. Hierop werden de clinische scholen gesloten. Het onderwijs vond alleen plaats op de universiteiten. Het Atheneum Illsutre in Amsterdam werd universiteit. C.B. Tilanus hoogleraar heelkunde aan de clinische school werd hoogleraar aan de universiteit.

 

 

De centralisering van het onderwijs aan de universiteiten vormde de doodssteek voor de vele genootschappen, ontstaan na het opheffen van de gilden en bloeiend door de twee standen strijd. De genootschappen waren immers overbodig; er was één stand, één opleiding, één diploma arts en één beroepsbelangen vereniging K.N.M.G. De wetenschappelijke belangen worden tegenwoordig behartigd door de beroepsverenigingen, de sociale netwerk door beiden. Toch bleven enige genootschappen bestaan. Het Genootschap ter bevordering van de Heel- en Verloskunde dreigde door wanbestuur en financiële chaos ten onder te gaan. Op 25 maart 1925 constitueerde zich naast het Genootschap en deels hieruit voortgekomen, het Amsterdam Geneeskundig Genootschap, met haar eerste voorzitter Evert van Dieren, een markante persoonlijkheid. Voor sommigen is dit het enige officiele begin, anderen kiezen de oudste datum als begin. In 1928-1929 werd het oude Genootschap definitief opgeheven. De overgang was goed verlopen. Ons Genootschap is nog steeds springlevend, wat moge blijken uit de keur van onderwerpen van de gehouden voordrachten op de wetenschappelijke vergaderingen die nog steeds goed bezocht worden.